Recensie: Arcade Fire / The National – UIC Pavillion, Chicago

poster voor het concert

The University of Illinois at Chicago is één van de vele, VELE universiteiten die Chicago rijk is. De school is gezegend met haar eigen evenementenhal: een zaal met de afmeting van de HMH (zo’n 5,000 mensen) en de layout van Ahoy’, om ook diverse sportevenementen (zoals Chicago’s beruchte Windy City Rollers roller-derby team) te kunnen huisvesten. Gisteravond was het laatste van een drietal concerten dat Arcade Fire gaf met The National in het voorprogramma.

Het feit dat deze drie concerten in no time uitverkocht waren, bevestigt wel weer de status van beide bands in de eredivise van de Noord-Amerikaanse indierock. Tussen de twee bands was het verschil in “grootte” echter ook duidelijk te merken: stipt om half 8 begonnen de mannen van The National samengepropt op de voorste helft van het podium (waarachter alle spullen van Arcade Fire al klaar stonden) met Anyone’s Ghost van hun geweldige laatste album High Violet.

Intiem optreden

Het geluid was zowel in de zaal als op het podium echter prima, hetgeen ook te merken viel aan de stemvastheid van bariton Matt Berninger. Door het zo kort op elkaar staan van de band kwam er echter een soort intieme ‘chemistry’ vrij tussen de mannen, voor de gelegenheid uitgebreid met een trompettist en trombonist. Het publiek was stil tijdens de rustigere stukken (Conversation 16, “our political hit” Fake Empire) en bij het prachtige Start A War verscheen Arcade Fire’s Win Butler ook nog even ten tonele voor wat achtergrondvocalen. Waarover later meer. Na het enthousiasme van Mr. November was afsluiter Terrible Love misschien een beetje vreemd – een wat introspectief einde van een intiem optreden voor een veel te grote zaal.

Een half uur later gingen de filmschermen aan voor scènes van de film die Spike Jonze eerder met Win Butler had gemaakt, en kwam het orkest (want zo kunnen we de band haast wel noemen) Arcade Fire het podium op voor de toepasselijke opener Ready To Start van het laatste album The Suburbs. “We’re going to leave fucking everything on this stage, so meet us halfway” was de oorlogskreet waarmee een bijzonder dynamisch optreden begon. Meteen werd duidelijk waar de kracht ligt van deze band: men weet donders goed wat ze wel en niet kunnen.

Hyperbombastische toegift

De stem van Butler is niet heel stabiel of sterk, maar de band weet in haar eigen songmateriaal deze zwakte tot een kracht om te zetten. Dat bleek ook bij het korte gastoptreden van Butler tijdens het de set van The National, evenals bij de diverse covers die de band door de jaren heen heeft opgenomen – het wringt als hij zijn eigen muziek niet zingt. Los van dit besef is Arcade Fire meesterlijk in het geleidelijk aan opvoeren van de intensiteit van een nummer, hetgeen live heel duidelijk werd bij Keep The Car Running en bij alle drie de delen van Neighborhood van debuutalbum Funeral. Het publiek ging in alles mee in een haast religieus aandoende gekte (hetgeen gezien de materie van het album The Neon Bible niet heel verwonderlijk is), en ontplofte haast bij No Cars Go en de hyperbombastische toegift Intervention – Wake Up – Sprawl II [Mountains Beyond Mountains].

Tussendoor bleek er ook nog plaats te zijn voor enige humor: in Rococo werd het “Oh my dear god what is that terrible song they’re singing” opgevolgd met een stukje uit Black Eyed Peas’ I Gotta Feelin’… Visueel was er genoeg te beleven met de grote videoschermen, maar ook bij de stukken met Butler op piano, waarop ook een klein videoscherm was geïnstalleerd. En dan is er natuurlijk de extra dynamiek van een band waarin het merendeel van de muzikanten multi-instrumentalist is, hetgeen de boel scherp en fris hield door de set heen.

Q magazine schreef ooit over Radiohead dat de band in staat was de emotionele intensiteit zo ver op te voeren dat je mensen bij hun concerten kon zien huilen. Dat hebben wij gisteravond ook genoeg zien gebeuren. En de parallel klopt eigenlijk toch wel – Arcade Fire is weliswaar al groot, maar zo lang men zulke intense optredens met zoveel enthousiasme kan brengen, hebben wij onze kandidaat voor “de Noord-Amerikaanse Radiohead” bij deze gekozen. En vragen we ons af welke band hier gedurende de rest van het jaar nog bovenuit kan komen.

Arcade Fire speelt op 29 augustus in de HMH in Amsterdam.