Recensie: Brett Anderson – Slow Attack

Brett_Anderson_-_Slow_Attack_artwork

In de jaren 90 slaagde Brett Anderson er met zijn band Suede in om het hoofd van de Britse pers, jonge meisjes, en seksueel verwarde jongens op hol te brengen door hun gelikte combinatie van Bowie en T-Rex-esque glam rock, androgyne podiumverschijningen en teksten met een hoog hedonistisch gehalte. Na openingsalbum Suede en loodzwaar meesterwerk Dog Man Star piekte de band commercieel gezien met het derde album Coming Up, met daarop de hitsingles Trash, Lazy, The Beatiful Ones en Saturday night. De band bracht daarna nog een aantal albums uit, maar het eerdere commerciële succes werd niet echt meer gehaald. Na het beëindigen van Suede heeft Anderson het nog een tijdje met de band The Tears geprobeerd. Momenteel richt hij zich vooral op een solo-carrière. Slow Attack is hierin zijn derde studio-album.

De glam rock van Suede is inmiddels volledig overboord gegooid, ten faveure van rustigere muziek. Ook de voor Anderson zo karakteristieke snik aan het begin van zijn zanglijnen (klik hier voor een voorbeeld) is grotendeels ingeruild voor een meer beheerst stemgeluid. De muziek doet bijna soundtrack-achtig aan, met het geheel klinkend als een kruising van folk-muziek in de hoek van Damien Rice, het klassieke bombast van Rufus Wainwright, en de sfeerstudies van het latere werk van Talk Talk en hun frontman Mark Hollis. Verwacht dan ook geen commercieel bruikbare singles op dit album (of het zou het bijna upbeat The Hunted moeten zijn), maar eerder een collectie songs die melancholisch en bespiegelend aandoet.

Dromerige bespiegelingen

Helaas haalt Anderson niet steevast het niveau van de eerder genoemde referenties. Statige opener Hymn en de breed uitwaaiende ballad Frozen Roads zijn hoogtepunten, waarin de dromerige bespiegelingen goed samenkomen met de muziek. Op andere werken probeert Anderson wel sfeer te creëren, maar neemt daar niet genoeg de tijd voor (Summer), of wil toch weer terug naar het vertrouwd aanvoelende hoekje van meezingbare refreinen (The Hunted, Pretty Widows). Tenslotte is Anderson’s stem weliswaar wat meer ingetogen, maar wordt daardoor wel weer wat dunnetjes voor het soort materiaal dat hij hier wil brengen.

Over het geheel genomen is dit zeker geen slechte plaat. Met wat minder songs die wat beter uitgewerkt zouden zijn, zou het zelfs een geweldig album kunnen zijn. Nu blijft het te vaak hangen in de middenmoot, waarbij de referentie eerder is aan The Cranberries dan aan (het expliciet in de persbio genoemde) voorbeeld Talk Talk.